Sessie 16

Sessieverslagen

Shadar-Kai en Hel, godin van de dood

Aanwezig: Bíta (Lucy), Fela (Sanne), Særwen (Lisa), DM (Lars)
Afwezig: Kamak (Niels), Vængr (Tom) / Merethril, Roswyn

Aan het begin van de sessie staan de helden temidden van het slagveld van de vorige sessie. Ze verdiepen zich in de gevallen en herinneren zich verhalen/legendes over de Shadar-Kai en Donkerlingen. Dit zijn duistere dienaren van Hel, godin van de dood. Ze staan erom bekend hun gevangen onder de grond te slepen, de duisternis in. Deze Shadar-Kai lijkt zelf geen bezweerder te zijn. Ze draagt een mantel met het zilverachtig uitgewerkte symbool van de “IJzeren Cirkel” erop. De helden ontdoen de gevallen vijanden van twee ogenschijnlijk magische dolken, een bijzondere paddenstoelenthee, de voorgenoemde mantel en 30 zeer vreemde muntjes van een onbekend materiaal.
Ze besluiten dat ze moeten rusten en ontsteken een vuur, waarop ze de lijken van hun tegenstanders verbranden. Al snel horen ze voetstappen de heuvel oplopen. Fela spreekt een rituele spreuk uit en wordt hierbij geholpen door Bíta en Særwen. Ze creeëren zo snel mogelijk een kleine, zeer krachtige magische cirkel om zich te beschermen. Ze vergeten in hun haast volledig dat ze meer groepsgenoten hebben. (Andere opties waren zich in bomen te verstoppen, Bíta met haar steen in een reuzenpaddenstoel te veranderen waar de anderen zich in konden verstoppen, en meer.)
Ze worden omsingeld door Shadar-Kai en geesten. Eén van de Shadar-Kai draagt de mantels van een tovenares, of priesteres. De brandende lijken worden al snel opgemerkt. Veel hebben deze nieuwe tegenstanders hen niet te zeggen; ze verklaren dat ze hun groepsgenoten, die buiten de cirkel stonden, zullen offeren aan Hel.

De helden besluiten te gaan slapen. De volgende morgen heffen ze de bezwering op en zoeken ze naar sporen van hun groepsgenoten. Ze vinden gemakkelijk de voetsporen in de modder. Na enige tijd lijken de sporen aan te duiden dat er gevochten is. Kamak lijkt een aanval te hebben gedaan, waarop de anderen poogden te ontkomen, maar uiteindelijk lopen alle voetsporen verder – Kamak wordt gesleept en bloedt. Ze zien nu een grote pilaar, of steenzuil, het is moeilijk te zien of het natuurlijk is, of uitgehouwen, voor zich opdoemen. Voor de pilaar staat een stenen tafel. Naast de pilaar staan vier staken, met op elke staak het hoofd van één van hun groepsgenoten. Voor de altaartafel liggen hun lijken. Bíta en Særwen stormen naar voren en iedereen maakt zich grote zorgen.
Særwen bidt via haar geesten tot Hel en de dodengodin richt haar aandacht op de sjamaan. Ze is bereid de geofferde helden uit de onderwereld terug te laten keren indien Særwen haar iets waardevols schenkt: haar eeuwige dienstbaarheid wanneer Hel erom verzoekt. Særwen stemt hiermee in. De helden herrijzen in nieuwe lichamen en zien hun gemartelde lijken voor zich liggen. In stilte trekken ze weg.

Ze komen aan in de vallei van Þórbardin, de Laatste Dwergenburcht. Dwergenwachten groeten hen op dwergse wijze bij de standbeelden die de vallei bewaken (één ervan draagt een groot, uitgehouwen vat met lepel). Ze escorteren hen de vallei in, die gevuld blijkt te zijn met vluchtelingen uit de door goblims overspoelde Ostmark. Ze zien Dar Gremath, de verzetsleider uit Harkenwolde, die ze eerder in Albrugge leerden kennen, zitten op een zetel. Hij is zwaar verminkt, hij mist zijn tong, een arm en een been. Hij staart ze met grote angst aan.
Bíta en Særwen lopen op hem toe. Fela kijkt afkeuren toe. Bíta houdt een toespraak over glorie, de bevrijding die komen zal en de weg naar Valhalla, waar de edele gestorvenen de mede proeven en dagelijks oefenen voor de laatste strijd aan de zijde van de goede goden. Særwen gebruikt haar nieuwe kracht als dienares van Hel om Dar Gremath ‘een waardig einde en verlossing uit dit onwaardig bestaan’ te gunnen. Ze doodt hem zonder zichtbare verwonding. Enkele omstanders kijken hen donker en boos aan. De meesten knikken instemmend.

Ze lopen door naar de hoge poorten van de dwergenburcht. Hun jonge escorte keert terug naar de vallei-ingang. Ze vragen de poortwachters hen naar Prins Siwaz de Grote te wijzen. De wachters lachen om de titel “de Grote”, maar sturen iemand naar Siwaz om hem van hun verzoek om een audiëntie op de hoogte te stellen. Ze worden tijdelijk in een geluidsdichte wachtkamer gebracht. Fela valt Bíta en Særwen woordelijk aan op hun ‘moord op Dar Gremath’. ‘Wie zijn zij om te besluiten wanneer een leven beëindigt moet worden?!’
Een gezant van Prins Siwaz opent de deur en geleidt hen naar een gastkamer in de onderaardse residentie van de prins. Ze worden verzocht zich op te frissen, wat te eten en te drinken, en vervolgens met Siwaz te spreken over hun avonturen.

EINDE VERSLAG

Sessie 16

Norn Lars_Nooij